Economische zaken, gilden, verkeer en vervoer
Industrie, nijverheid en handel
Jan Damen, 'Een schets van de economische ontwikkeling van Weert 1945-1985'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 1987 2 (1987) 58-76.
Inhoud: Het industrialisatieproces wordt verdeeld in drie perioden. De eerste fase 1945-1959 wordt gekenmerkt door groei van de beroepsbevolking als gevolg van een sterke toename van het geboortecijfer. De groei wordt maar zeer ten dele opgevangen door de industrie met als gevolg een forse stijging van de werkloosheid.
De tweede fase van 1959 - 1970 start met de aanwijzing van Weert tot primaire industriekern en industrieterreinen. Dit leidde tot vestiging van vele nieuwe bedrijven en een betere infrastructuur met als positief gevolg een versterking van de werkgelegenheid.
De derde fase 1971-1985 begint met de intrekking van de aanwijzing tot industriekern; recessie en oliecrisis leiden tot een daling van het aanbod aan arbeidsplaatsen. Er is een toename van de werkloosheid, vooral onder vrouwen, met als keerpunt 1983. Een overdekt winkelcentrum met sociaal-culturele voorzieningen komt tot stand.
![]()
WEVO 1937 : tentoonstelling van het Weerter product : georganiseerd door V.V.V. Weert Vooruit Weert 1937, 32 pp.
Inhoud: Geeft een samenvatting van de positieve conclusies uit het ETIL-rapport over de geschiktheid van Weert voor vestiging van industrie. Geeft grafieken over de bevolkingsgroei en -opbouw, geboorte- en sterftecijfer. Een aantal WEVO-exposanten presenteren zich, zoals de Tricotagefabrieken, orgelbouw, weegwerktuigenfabricage, meubelfabriek, aannemers, stoomwasserij en beschuitfabriek.
![]()
Joke Bongaarts, 'Commercieel briefpapier'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 2000 14 (1999) 53-62.
Inhoud: Beschrijft en becommentarieert een aantal briefhoofden van Weerter bedrijven en van een onderwijsinstelling uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Het artikel geeft een visueel beeld van economische ontwikkeling.
![]()
W. Lenaers, ‘Tungelroy en de cooperatieve roomboterbereiding’.
In: De Nedermaas : Limburgsch geïllustreerd maandblad 4 (1926) 18-19.

J.P.A.M. Engelen, 'De pijpenoven te Weert : een kleipijpenindustrie in de 19e eeuw'.
In: Archeologie in Limburg 38 (1988) 155-158.
Inhoud: Geeft een beschrijving van de enige nog overgebleven pijpenoven in Nederland. Dit object van industriële archeologie is tot rijksmonument verklaard.
![]()
Jos Engelen, 'Vier generaties pijpenmakers in Weert 1855-1972'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 1988 3 (1988) 79-87.
Inhoud: Stipt de oprichter van de firma Trumm & Bergmans aan, geeft een stamboom en schetst de fabricage en modellen van pijpen, de pijpenhandel en de pijpenafzet in Roermond. Schrijver wijst op het unieke karakter van collectie en archief.
![]()
Stan Smeets, 'De Smeetsen, grondleggers van de Koninklijke Smeets Offset B.V'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 1987 2(1987) 107-112.
Inhoud: Korte beschrijving van de familie Smeets en de ontwikkeling van de drukkerij tot 1980.
![]()
Ad. Welters, ‘Limburg’s handel en industrie: De drukkerij N. V. Emm. Smeets te Weert : 1830-1930’.
In: De Nedermaas: : Limburgsch geïllustreerd maandblad 7 (1930) 85-89.

R.H.C. van Maanen, 'Jeneverstokerijen in het kanton Weert in 1818'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 2000 14 (1999) 117-120.
Inhoud: Geeft de resultaten van de rijksenquête weer. Verder wordt kort aandacht besteed aan de relevante belastingwetgeving. Het kanton Weert bestond uit de commissariaten Weert met twee stokerijen en Heythuysen met twaalf stokerijen.
![]()
Cor Tubée, 'De vleesmarkt en de stadsvleeshal'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 1998 12 (1997) 89-101.
Inhoud: Beschrijft de situatie met betrekking tot de verkoop van vlees voor en na de oprichting van de vleeshal in 1768 tot de afbraak in 1882, gevolgd door een lijst van pachters van plaatsen in de vleeshal vanaf het begin tot het eind.
![]()
[J. van de Venne], 'Klokkegieter te Weert [1705]'.
In: De Maasgouw : Limburg's jaarboek voor geschiedenis, taal- en kunst 49 (1929) 3
Inhoud: Aantekening van de begrafenis op het kerkhof van Joannes Fremie of Jan Fremy in 1705.
Jan Fremy was de zoon van Mamertus I Fremy uit Winterswijk. Die werd in 1642 te Vrécourt in Lotharingen geboren. Jan Fremy trouwde drie maal. De laatste keer in 1702 te Weert. Zijn laatste klok dateert uit 1705.
![]()
Joop de Lange, 'De Eindhovense klokkengieter Jan Fremy'.
In: Klok en Klepel 15 (1974) 2 - 6.
Inhoud: Biografische schets van Jan Fremy, geboren in 1641 of 1642 te Vrécourt (Lotharingen); woonde eerste in Amsterdam en vanaf 1679 in Woensel. Verhuisde rond 1701 naar Weert, waar hij in 1705 sterft. Hij maakte een klokkenspel voor het stadhuis van Eindhoven.
![]()
'Een Limburgsche klokkengieter'.
In: De Maasgouw : Orgaan voor Limburgsche geschiedenis, taal- en letterkunde 9 (1887) 136.
Inhoud: Vermelding van bisschoppelijke dispensatie voor het huwelijk van Alexis Julien te Weert en de reden daarvoor.
![]()
André Lehr, 'Alexius Julien : een Lotharings klokkengieter te Weert en Lier.'
In: 't Land van Rijen : driemaandelijks kultureel Liers tijdschrift 18 (1968) 54 - 87.
Inhoud: Uitvoerige verhandeling over het leven van de klokkengieter, zijn familie en zijn voornaamste klokken. Hij goot o.m. klokken voor de Weerter toren en de Roermondse Christoffelkathedraal. Julien verbleef in Weert van 1692 - 1703, waarna hij naar Lier vertrok voor het gieten van een beiaard. Volgens de schrijver beheerste Julien nimmer ten volle de kunst van het beiaardgieten, doch streefde hij er wel onvermoeibaar en onophoudelijk naar. Hij stierf in Lier in 1734. Aandacht wordt besteed aan concurrent Jan Fremy, die zich eveneens in Weert had gevestigd.
![]()
[P.T.], 'De drie paardenmarkten van Weert, opgericht in 1563'
In: De Maasgouw : weekblad voor Limburgsche geschiedenis, taal- en letterkunde 2 (1880) 250.

Molens
W. Lenaers, ‘Uit het West-Limburgsche molenland’.
In: De Nedermaas : Limburgsch geïllustreerd maandblad 7 (1930) 77-80, 94-96.
Inhoud: Beschrijft de molens in Weert, Nederweert, Stramproy, Ell, Hunsel, Kelpen-Oler, Baexem, Thorn en Grathem
.
W. Lenaers, ‘Uit het West-Limburgsche molenland’.
In: De Nedermaas : Limburgsch geïllustreerd maandblad 10 (1933) 168-171, 189-192.
Inhoud: Vervolg op bovengenoemd artikel.
![]()
Jan Henkens, 'Een lofdicht op een Weerter molenaar'.
In: De Maasgouw : tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 98 (1979) 109 - 114.
Inhoud: Betreft de volledige weergave van een lofzang op Jac van Aken, die de - thans verdwenen - windmolen tussen 1817 en 1820 oprichtte. De molen was gelegen aan de Langpoort in het Driesveld (gehucht Altweert), thans Stationsstraat omtrent huidig restaurant Azië. Later Clercx-molen genoemd naar de latere eigenaren.
Verder worden enkele persoonlijke gegevens over de molenaar vermeld en enige historische punten uit de ode toegelicht. Het oude liedje waarop de auteur doelt, is bekend (klik hier). Het voorval speelde in de Zevenjarige Oorlog en wordt aangehaald op blz. 88 van het artikel (klik hier).
![]()
Cor Tubée, ‘De Leveroyse watermolen’.
In: De Maasgouw : tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 123 (2004) 105-110.
Inhoud: Geeft een historisch overzicht over deze molen aan de Tungelroysebeek vanaf de 13e eeuw tot de afbraak in 1877. Aandacht wordt geschonken aan eigenaren en pachters. Een technische beschrijving uit 1856 wordt weergegeven.
![]()
Lakennijverheid, gilde- en ambachtswezen
'Twee oorkonden over Weert'.
In: De Maasgouw : weekblad voor Limburgsche geschiedenis, taal- en letterkunde 3 (1881) 598-599.
Inhoud: De tweede oorkonde betreft een transcriptie van een vrijgeleide (1584) van Willem van Oranje - ondanks verbod - voor de export van lakens vanuit Weert naar Antwerpen en andere plaatsen onder het gezag van de Staten-Generaal en van daaruit wol en kaarden te mogen meenemen.
![]()
J.A. Hoens, 'Oude munt van Weert [1566]'.
In: De Maasgouw : orgaan voor Limburgsche geschiedenis, taal- en letterkunde 30 (1908) 16.
Inhoud: Betreft een lakenloodje.
![]()
Jan Henkens, 'Het oude Weerter wolambacht en zijn lakenhallen in Bergen op Zoom en Antwerpen'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 1986 1 (1986) 43-54.
Inhoud: Na een inleiding over het gildenwezen volgt een opsomming van Weerter gilden of ambachten, schutterijen en broederschappen. Daarna wordt de geschiedenis van het lakenambacht aangestipt, voornamelijk gebaseerd op A.D.A. Monna. Ten slotte wordt aandacht besteed aan de historie en eigenaren van de Weerter lakenhuizen. De ‘Halle van Weert’ in Bergen op Zoom vanaf 1476 tot de oorlogsvernietiging in 1747 wordt eerst beschreven. Verkoop vond plaats in 1610. Vervolgens komt de ’Halle van Weert’ en de ‘Stadt Weert’ in Antwerpen aan de beurt vanaf 1513 tot 1975. Verkoop van de twee panden vond plaats in 1640 en 1719/1720. Deze huizen zijn thans onderdeel van het Jordaenshuis.
![]()
A.D.A. Monna, 'De textielnijverheid in Weert'.
In: Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg 15 (1970) 29-49.
Inhoud: Tot nu toe de enige en gedegen studie over de lakennijverheid, die voor Weert van groot belang was. Beschreven wordt de periode vanaf 1378 tot 1850 met nadruk op de 16e en 17e eeuw. De invloed van de Tachtigjarige Oorlog op de nijverheid wordt beschouwd. Met behulp van de weinig bewaard gebleven werkmeestersrekeningen en burgemeestersrekeningen worden bescheiden conclusies ten aanzien van de ontwikkeling van de lakennijverheid getrokken.
![]()
G.C.A. Juten, ‘Lakenbereiders van Weert'.
In: Taxandria : tijdschrift voor Noordbrabantsche geschiedenis en volkskunde 43 (1936) 111-112.
Inhoud: Schepenbrief uit 1476 waarbij een overeenkomst gesloten wordt tussen een inwoner van Bergen op Zoom en Weerter werkmeesters van het gewandmakers- of wolambacht voor het huren van een hal in de Hoogstraat te Bergen gedurende een beperkte tijd.
![]()
J[an] Henkens, ‘De oprichting en het reglement van het cremersgilde te Weert in 1652’.
In: De Maasgouw : tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 73 (1954) 49-56.
Inhoud: Het Sint-Nicolaas- of kramersgilde, formeel opgericht en gereglementeerd door Magdalena van Egmont, prinses van Chimay en vrouwe van Weert en Nederweert was bestemd voor kramers, kooplieden en winkeliers. Onder vetwaren werd o.m. spek, ham, kaarsen en boter verstaan. Het poorterschap was een voorwaarde voor lidmaatschap.
![]()
D. van Adrichem, 'De gildebrief en het reglement van het timmerliedenambacht van Weert'.
In: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg à Maestricht 56 (1920) 143-161.
Inhoud: De oprichtingsakte van 1464 van Jacob I, graaf van Horne, van het timmerambacht voor Over- en Nederweert. Dan volgt het reglement, dat uit 36 artikels bestaat, waarvan de laatste drie in 1607-1622 eraan toegevoegd zijn. Vervolgens komen nog de aanvullingen uit de jaren 1682, 1741, 1769, 1772, 1775, 1776, 1777, 1778 en 1848.
![]()
Verkeer en vervoer
Jan Henkens, 'Het ontstaan van de spoorlijn Eindhoven-Weert'.
In: De Maasgouw : tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 93 (1974) 8 - 23.
Inhoud: De mislukte pogingen tot aanleg van een spoorlijn door of bij Weert in de 19e eeuw, evenals de geslaagde aanleg van de IJzeren Rijn (Antwerpen-Mönchengladbach) worden belicht. In 1899 begon men wederom te ijveren voor een lijn Weert-Eindhoven. Met name Victor de Stuers, het Tweede-Kamerlid voor het district Weert van 1901 tot zijn dood in 1916, zette zich in voor de lijn, die in 1913 in gebruik werd genomen. Afgesloten wordt met een beschrijving van de mislukte pogingen tot aanleg van een lijn Weert-Echt
![]()
Cor Tubée, 'De tramlijn van Weert naar België'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 1997 11 (1996) 50-99.
Inhoud: De voorbereiding vanaf 1898, de oprichting van de vennootschap in 1910 en de exploitatie tot haar opheffing in 1934 komen uitvoerig aan de orde.
![]()
Cor Tubée, 'Het behoud van de Stads- en Biesterbrug en de bestuurlijke perikelen, die daarmede gepaard gingen'.
In: Weert in woord en beeld : jaarboek voor Weert 1988 3 (1988) 49-62.
Inhoud: Speelt in de periode 1928-1930.
![]()
J[an] Henkens,‘De Bocholterbeek en de weg Bocholt-Weert’. 
In: De Maasgouw : tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 71 (1957) 149-150.
Inhoud: Ter gelegenheid van de opening van de weg en het douanekantoortje wordt een tegeltableau in de gevel van het – thans gesloopte - kantoortje onthuld, waarin het ontstaan van de Weerter- of Bocholterbeek in 1296 wordt gememoreerd.
![]()
M. Bussels en F. Bijvoet, 'Bocholt voorheen: het gemeentelijk leven : heidetwisten : Weert'.
In: Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundige Studiekring te Hasselt 14 (1938) 398 - 406.
Inhoud: Beknopte beschrijving van de geschiedenis van de Bocholter- of Weerterbeek en de daarmee samenhangende twisten en processen, die tot in de twintigste eeuw duurden. Tevens worden de geschillen over het heide- en weiderecht op Bocholter en Weerter grond aangestipt.
![]()
'En cause de la ville de Weert (Limbourg hollandais) : demanderesse : avoué Romain Quaedvlieg, avocats J. Voncken et Léon du Bus de Warnaffe : contre 1. Jean Martens, brasseur; 2. Jean-Mathieu Gilkens, cultivateur : tous deux domiciliés à Bocholt : defendeurs avoué Van Langenaken, avocat Claikens : mémoire à l'appui de la demande' 1903 (Etterbeek-Brussel) 34 pp.
Inhoud: Memorie ter ondersteuning van de eisen van de gemeente Weert in een proces over de Bocholter- of Weerterbeek tegen een brouwer en landbouwer/molenaar uit Bocholt, die teveel water uit de Weerterbeek afleidden. De bewijsstukken over de eigendom van de beek lopen van 1296 tot 1734, aangevuld met jurisprudentie uit de 19e eeuw.
H.J. Verstappen, 'Het postwezen in het Land van Weert : een bijdrage tot zijn geschiedenis'.
In: De Maasgouw : tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 87 (1968) 161-176.
Stan Smeets, 'Postmeester Coumans te Weert'.
In: De Maasgouw : tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 88 (1969) 55-58.
Inhoud: Beschreven worden sollicitaties, benoemingen en klachten van boden en hun benoemingsvoorwaarden in de 18e eeuw. De keizerlijke ordonnantie van 1769 op de posterijen wordt aangestipt. Van postroutes over Weert blijkt niet in de Franse tijd. Postbodes treden op in de dertiger jaren van de 19e eeuw en er is een postroute naar Roermond. Vervolgd wordt met de vermelding van postwagenroutes later in de 19e eeuw en de diverse vestigingsplaatsen van het Weerter postkantoor tot 1966.
Tenslotte wordt het voorkomen van aantekeningen en stempels op brieven geschetst.
Het tweede artikel behelst enerzijds een correcte kritiek en geeft anderzijds een aanvulling op het eerste artikel.
![]()





